Pringier & Partners    Accountant & Belastingconsulent    Brugge

Welkom Activiteiten Ligging Links Fiscale cijfers Nuttig om weten Business Package Vacatures Online boekhouden Actualiteit 2011-2012 (di rupo) Actualiteit 2009-2010 Actualiteit 2007-2008

CONTACTINFORMATIE

 

Ons adres:

 

Veldmaarschalk Fochstraat 1

(hoek Kon. Elisabethlaan)

 

8000     Brugge

 

Telefoon:   050 33 11 57

Fax:           050 34 21 12

 

E-mail: info@accountant-pringier.be

© 2007-2012  IP

 

 

 

Fiscale actualiteit 2011 - 2012 : nieuwe fiscale regels onder DI RUPO

 

Overzicht van het nieuw begrotingsakkoord DI RUPO - opgemaakt 03.12.2011 - de nieuwe spelregels...

Vanaf 01.01.2012   +    AANPASSING PROGRAMMAWET FEBRUARI 2012

 

Fiscale bepalingen in het ontwerp van Programmawet - deel 2 (feb 2012)

Het tweede pakket fiscale maatregelen die genomen worden in het kader van de opmaak van de begroting door de regering Di Rupo I is goedgekeurd door de ministerraad.

 

In het hierna volgende overzicht komen achtereenvolgens aan bod :

 

1. Bedrijfsvoertuigen

De waardering van het voordeel van alle aard ingevolge de gratis beschikking over een bedrijfswagen wordt aangepast, waarbij (1) nieuwe en tweedehandswagens op één lijn worden gesteld en (2) het voordeel afneemt in functie van de leeftijd van het voertuig.

De formule van het voordeel gaat als volgt :

 

VAA = cataloguswaarde * % (CO2-coëfficiënt) * 6/7 * percentage i.f.v. leeftijd van het voertuig.

 

Onder cataloguswaarde wordt verstaan (artikel 36, § 2, tweede lid, WIB 92, in ontwerp):

 

bij verwerving in nieuwe staat: de gefactureerde waarde inclusief opties en btw, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno;

in de andere gevallen: de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno.

 

Om rekening te houden met de leeftijd van een voertuig, wordt de cataloguswaarde vermenigvuldigd met een percentage dat is bepaald in de onderstaande tabel, teneinde rekening te houden met de periode die is verstreken vanaf de datum van eerste inschrijving van het voertuig bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (artikel 36, § 2, derde lid, WIB 92, in ontwerp):

 

Periode verstreken sinds de eerste inschrijving van het voertuig (een begonnen maand telt voor een volledige maand)

Bij de berekening van het voordeel in aanmerking te nemen percentage van de cataloguswaarde

 

Van 0 tot 12 maanden   100 %

Van 13 tot 24 maanden   94 %

Van 25 tot 36 maanden   88 %

Van 37 tot 48 maanden   82 %

Van 49 tot 60 maanden   76 %

Vanaf 61 maanden          70 %

 

2. Bijkomende heffing op de roerende inkomsten

Wat betreft de bijkomende heffing op roerende inkomsten is gebleken dat de Nationale Bank van België toch niet kan instaan voor de organisatie van het centraal aanspreekpunt bedoeld in artikel 174/1, § 2, WIB 92. Om die reden wordt voorgesteld dat het centraal aanspreekpunt wordt gehouden door een dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën, afgescheiden van de fiscale Administraties. Het doorzenden van informatie mag enkel doelgericht en is beperkt.

 

Door het feit dat er uitdrukkelijk wordt gesteld dat het moet gaan om een dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën, afgescheiden van de fiscale Administraties, wordt vermeden dat de artikelen 335 en 336, WIB 92 kunnen worden toegepast op de inlichtingen die door het centraal aanspreekpunt worden ingezameld

 

Ook aan wie en wanneer het centraal aanspreekpunt inlichtingen mag doorgeven, wordt strikt en uitdrukkelijk geregeld. Artikel 174/1, § 2, vierde lid, WIB 92 bepaalt namelijk dat :

 

3. Meerwaarden op aandelen in hoofde van vennootschappen

3.1 Permanentievoorwaarde

De vrijstelling van de meerwaarden op aandelen in hoofde van vennootschappen wordt onderworpen aan een zogenaamde ‘permanentievoorwaarde’. Hiertoe wordt in artikel 192 WIB 92 opgenomen dat de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen wordt beperkt tot de gerealiseerde meerwaarden op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom werden behouden (artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92, in ontwerp; inwerkingtreding vanaf aanslagjaar 2013, alsmede op meerwaarden gerealiseerd vanaf 28.11.2011; elke wijziging die vanaf 28.11.2011 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking).

 

Nieuw is ook dat meerwaarden op aandelen die zogenaamde ‘tradingvennootschappen’ realiseren op aandelen in de handelsportefeuille altijd belastbaar zullen zijn en de minderwaarden op die aandelen aftrekbaar. Deze regeling is ingevoerd omdat de toepassing van de permanentievoorwaarde zou leiden tot een systematische belasting op gerealiseerde meerwaarden, terwijl de minderwaarden en de waardeverminderingen niet aftrekbaar zouden zijn op basis van artikel 198, eerste lid, 7°, WIB 92.

Met ‘tradingvennootschappen’ worden bedoeld de ondernemingen waarvoor het KB van 23.09.1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, geldt. Wat een handelsportefeuille is staat omschreven in artikel 35ter, § 1, tweede lid, a, van hetzelfde KB.

Omdat de fiscale regels verschillend zijn wanneer de aandelen die deze tradingvennootschappen bijhouden in de handelsportefeuille of elders opgenomen zijn, is het noodzakelijk om de fiscale gevolgen van een interne transfer van deze aandelen vast te stellen. Wegens het beperkte toepassingsgebied, verwijzen we voor de verdere regels naar de wettelijke bepalingen.

 

Verder wordt nog bepaald dat voor de toepassing van de permanentievoorwaarde, wat de aandelen verkregen als tegenprestatie voor belastingneutrale verrichtingen betreft, bedoeld in artikelen 46, § 1, eerste lid, 2°; 211; 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3, die, naargelang het geval, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, de in ruil ontvangen aandelen geacht worden te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen om vast te stellen of aan de voorwaarde van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom is voldaan (artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92, in ontwerp).

 

3.2 Meerwaarden op vruchtgebruik op aandelen

De Programmawet wijzigt artikel 192 WIB 92 zodanig dat, opdat de meerwaardevrijstelling van toepassing zou zijn, vereist is dat de volle eigendom van de aandelen wordt aangehouden gedurende een ononderbroken periode van één jaar (artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92, in ontwerp; in werking treding vanaf aanslagjaar 2013). Meerwaarden op het vruchtgebruik kunnen dus niet genieten van de vrijstelling.

 

3.3 Tarief van 25 % voor belastbare meerwaarden op aandelen bij verdeling van vermogen

Er wordt voorzien in een afzonderlijk tarief van 25 % voor meerwaarden op aandelen verwezenlijkt of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap, waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203 van de winst te worden afgetrokken en die belastbaar zijn in toepassing van artikel 192 omdat ze niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom werden behouden (artikel 217, 2°, WIB 92, in ontwerp).

 

4. Thin-cap of onderkapitalisatieregel

4.1 Uitbreiding toepassingsgebied

De bestaande maatregel tegen abnormale onderkapitalisatie van artikel 198, eerste lid, 11°, WIB 92 wordt enerzijds verstrengd wat betreft de toegelaten verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen (5/1 i.p.v. 7/1) en anderzijds uitgebreid tot intrestbetalingen aan groepsvennootschappen (tot nu toe beperkt tot intrestbetalingen aan ‘belastingparadijzen’). Hiermee wordt geanticipeerd op het minder aantrekkelijk worden van de aftrek voor risicokapitaal (verlaging tarief, opheffing overdraagbaarheid). Hierbij doelt de term ‘groep’ op het geheel van verbonden vennootschappen, in de zin van artikel 11 W.Venn.

 

4.2 Doorkijkregel

Ook wordt een doorkijkregel ingevoerd, waardoor in geval van leningen gewaarborgd door een derde of leningen waarbij een derde aan de schuldeiser de nodige middelen heeft verschaft met het oog op de financiering van de leningen, en geheel of gedeeltelijk de aan de leningen verbonden risico's draagt, deze derde wordt geacht de werkelijke verkrijger van de intresten van deze lening te zijn, indien deze waarborg of dit verschaffen van middelen als hoofddoel belasting ontwijking heeft (art. 198, zesde lid, WIB 92, in ontwerp).

 

4.3 Niet geviseerde vennootschappen

De aftrekbeperking bedoeld in het eerste lid, 11°, is niet van toepassing op leningen aangegaan door (art. 198, zevende lid, WIB 92, in ontwerp):

4.4 Kapitaal van vzw’s, …

Voor de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, op wie de Wet van 27.06.1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van toepassing is, wordt onder gestort kapitaal, als bedoeld in eerste lid, 11°, het eigen vermogen verstaan zoals blijkt uit de balans die door deze belastingplichtigen is opgemaakt (art. 198, achtste lid, WIB 92, in ontwerp).

 

5. Wijziging artikel 344, § 1, WIB 92 !

5.1 Ten geleide

Uit cassatierechtspraak was gebleken dat het artikel 344, § 1, WIB 92 in haar huidige vorm niet van toepassing is indien de rechtsgevolgen van de door de Administratie in de plaats gestelde rechtshandeling verschillend zijn van de rechtshandeling die de belastingplichtige heeft gesteld. Hierdoor was de praktische toepasbaarheid eigenlijk beperkt tot de herkwalificatie van een geheel van afzonderlijke of opeenvolgende akten in één verrichting die de partijen in werkelijkheid tot stand hebben gebracht.

 

5.2 Nieuwe wettelijke bepaling

Volgens de nieuwe regeling, van toepassing vanaf 01.01.2012, kan aan de Administratie niet worden tegengeworpen, de kwalificatie door de partijen gegeven aan een rechtshandeling alsook aan een geheel van rechtshandelingen die eenzelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de Administratie vaststelt dat de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen plaatsvindt op grond van fiscale overwegingen, wat kan doen vermoeden dat die verrichting als hoofddoel belastingontwijking heeft (art. 344, § 1, eerste lid WIB 92, in ontwerp). Het komt aan de belastingplichtige toe het tegenbewijs te leveren (art. 344, § 1, tweede lid WIB 92, in ontwerp).

Wanneer de belastingplichtige dit bewijs niet levert, kan de Administratie de door de belastingplichtige gegeven fiscale kwalificatie van de gestelde rechtshandeling of van het geheel van rechtshandelingen voor de toepassing van de belastingwetgeving op zodanige wijze herdefiniëren dat met betrekking tot de tot stand gebrachte verrichting een geheel van feiten ontstaat waarop een juiste belastingheffing mogelijk is zelfs als de juridische effecten en rechtsgevolgen van de door de Administratie gebruikte kwalificatie niet identiek of analoog zijn aan de effecten en rechtsgevolgen van de door de partijen gegeven kwalificatie (art. 344, § 1, derde lid WIB 92, in ontwerp).

 

5.3 Voorwerp van de herkwalificatie: kwalificatie rechtshandeling

Artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 beschrijft het voorwerp van de niet-tegenstelbaarheid, met name de kwalificatie door de partijen gegeven aan een rechtshandeling alsook aan een geheel van rechtshandelingen die eenzelfde verrichting tot stand brengen.

Het begrip ‘geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt’ beoogt de eveneens kunstmatige opsplitsingen van een verrichting in opeenvolgende akten die een relatief lange tijdsperiode dekken die langer is dan de periode gedekt door een aanslagjaar en dus niet alleen indien zij binnen hetzelfde aanslagjaar vallen.

Als de akten aldus over vele jaren worden gespreid, zal de Administratie toch artikel 344, § 1, WIB 92 mogen toepassen, als ze de eenheid van bedoeling tussen de akten aantoont. Daartoe moeten de opeenvolgende handelingen een reeks handelingen zijn die van meet af aan zijn opgevat als behorend tot een ondeelbare keten.

 

5.4 ‘Fiscale overwegingen’

De niet-tegenstelbaarheid kan door de Administratie worden ingeroepen indien de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen plaatsvindt op grond van fiscale overwegingen.

De fiscale overwegingen blijken uit de keuze van een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen die de belastingplichtige toestaan zich in een toestand te plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving. Dergelijk handelen kan zich onder twee vormen voordoen: door zijn vormkeuze stelt de belastingplichtige zich buiten de letter van een belasting vermeerderende bepaling of brengt hij zich binnen het toepassingsgebied van een belasting verminderende bepaling.

De strijdigheid met de doelstellingen van de fiscale wetgeving moet begrepen worden in het licht van het begrip ‘volstrekt kunstmatige constructie’. Er is sprake van een ‘volstrekt kunstmatige constructie’ wanneer de verrichting niet de economische doelstellingen onderliggend aan de fiscale wetgeving nastreeft of geen verband houdt met de economische werkelijkheid, of niet aan commerciële of financiële marktvoorwaarden plaatsvindt. Het gaat met andere woorden om rechtshandelingen die alleen worden uitgevoerd om belastingen te ontwijken.

 

5.5 Tegenbewijs

De belastingplichtige kan, wanneer de Administratie fiscale overwegingen heeft vastgesteld, het tegenbewijs leveren (artikel 344, § 1, tweede lid, WIB 92).

 

5.6 Creatie van nieuw feitencomplex - nieuwe juridische effecten en rechtsgevolgen

Artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 legt vast dat, wanneer de Administratie fiscale overwegingen heeft vastgesteld en de belastingplichtige geen geldig tegenbewijs heeft aangebracht, de Administratie de fiscale kwalificatie van de rechtshandeling (of het geheel van de rechtshandelingen) kan herdefiniëren zodanig dat een feitencomplex ontstaat dat belastingheffing mogelijk maakt in overeenstemming met doel en strekking van de wetsbepaling die de belastingplichtige door zijn vormgeving omzeild c.q. miskend heeft.

De essentie van dit herdefiniëringsproces is de conversie van de vastgestelde feiten in een nieuw feitencomplex dat beter aansluit bij de doelstellingen van de omzeilde c.q. miskende fiscale norm. Dit proces kan inhouden dat rechtshandelingen worden vervangen door andere die wel recht doen aan de doelstellingen van de wet (substitutie) of dat rechtshandelingen worden genegeerd (eliminatie).

Substitutie kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de belastingplichtige door één of een geheel van rechtshandelingen een belastingvermeerderende bepaling omzeilt. Een rechtshandeling kan genegeerd worden (eliminatie) wanneer een belastingplichtige die handeling enkel stelt om een fiscaal voordeel te claimen en die aanspraak in strijd is met het doel van de betrokken fiscale bepaling.

De herdefiniëring kan tot gevolg hebben dat de juridische effecten en rechtsgevolgen van de door de Administratie gebruikte kwalificatie niet identiek of analoog zijn aan de effecten en rechtsgevolgen van de door de partijen gegeven kwalificatie.

 

5.7 Geen vermoeden van fraude – geen overtreding van wettelijke bepalingen

De anti-misbruikbepaling kan ook in zijn nieuwe vorm niet worden gecombineerd met de uitzonderlijke aanslagtermijn van zeven jaar die van toepassing is in geval van fraude (cf. art. 354, tweede alinea, WIB 92) of de uitzonderlijke termijnen in geval van overtredingen inzake roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing (art. 358, § 1, 1°, WIB 92).

Bij voormelde wetsbepalingen is immers vereist dat er sprake is van inbreuken op fiscale bepalingen, terwijl artikel 344, § 1, WIB 92 impliceert dat geen enkele wettelijke bepaling werd overtreden. Het spreekt immers letterlijk van ‘ontwijken’ en niet van ‘ontduiken’ en bij een ontwijking wordt per definitie geen enkele wettelijke bepaling overtreden.

 

6. Meldingsplicht buitenlandse rekeningen aan centraal aanspreekpunt

Belastingplichtigen zullen niet langer alleen in hun aangifte moeten vermelden dat zij titularis zijn geweest van een buitenlandse bankrekening, maar zullen ook, ten laatste gelijktijdig met de indiening van de aangifte waarin het bestaan van de in dit lid bedoelde buitenlandse rekeningen wordt vermeld, de nummers van die rekeningen moeten melden bij het in artikel 322, § 3, bedoelde centraal aanspreekpunt (artikel 307, § 1, tweede lid, WIB 92, in ontwerp).

Het is de bedoeling dat deze bepaling met de bepalingen van artikel 322, WIB 92 en de spaarrichtlijn (de EU-lidstaten, behalve de staten die een inhouding toepassen, zijn ertoe gehouden jaarlijks de inlichtingen betreffende roerende inkomsten die rijksinwoners in die lidstaten hebben verkregen, mee te delen) een sluitend geheel vormt in het kader van de controle van de roerende inkomsten in hoofde van rijksinwoners.

 

7. Vormvoorschriften bij invulling aangifte door ambtenaar

Een belastingplichtige moet zijn aangifte dagtekenen en ondertekenen. Wanneer de belastingplichtige zijn aangifte, tijdens een bezoek ten kantore of op een tot dat doeleinden door de bevoegde Administratie van de FOD Financiën vastgestelde plaats, met behulp van een ambtenaar van die Administratie indient, moet hij de waarmerking, dagtekening en ondertekening aanbrengen op een van de twee exemplaren die de ambtenaar heeft gemaakt nadat hij de door de belastingplichtige aan te geven inkomsten en andere gegevens heeft ingebracht in de computerbestanden van de Administratie via tax-on-web. Het aldus gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende exemplaar wordt ofwel overhandigd aan de voornoemde ambtenaar, ofwel toegestuurd aan de dienst die voorkomt op het genoemde aangifteformulier. Het tweede exemplaar van de afdruk van de gegevens is een kopie ten behoeve van de belastingplichtige (artikel 307, § 2, tweede lid, WIB 92, in ontwerp).

 

8. Maatregelen op het vlak van invordering

8.1 Informatieplicht - meldingsplicht voor schuldenaars ingevolge een overlijden

Onverminderd de toepassing van artikel 1240ter van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 95, derde lid, en 97, vierde lid, van het Wetboek der successierechten en met het oog op een betere invordering van de belastingen, wordt bij de artikelen 172 tot 177 een procedure ingesteld waarbij de fiscale Administratie moet worden geïnformeerd alvorens kan worden overgegaan tot de teruggave, betaling of overdracht aan de rechthebbenden van de gehouden of verschuldigde waarden.

Deze verplichting geldt voor de besturen en de openbare instellingen, de stichtingen van openbaar nut en de private stichtingen, alle verenigingen of vennootschappen die in België hun voornaamste instelling, een bijhuis, een vertegenwoordiger of een om het even welke zetel van verrichtingen hebben en de openbare of ministeriële ambtenaren die houders of schuldenaars zijn, uit welke hoofde ook, van effecten, sommen of waarden welke toekomen aan een erfgenaam, legataris, begiftigde, begunstigde van een verzekeringsprestatie of andere rechthebbende ingevolge of ter gelegenheid van een overlijden.

Ingevolge die kennisgeving zal de fiscale Administratie derdenbeslag kunnen leggen op die waarden, volgens een vereenvoudigde procedure, gelijkaardig aan die welke reeds bestaat in de artikelen 433 e.v. WIB 92 en 93ter e.v. Btw-wetboek. Diezelfde procedure gelt ook in het kader van de afwikkeling van een verzekeringsprestatie die opeisbaar wordt ingevolge of naar aanleiding van een overlijden. Deze procedure zal zowel de fiscale schulden van de overledene als deze van zijn erfgenamen betreffen.

Om de hiervoor bedoelde personen niet te belasten met een overvloed aan te verrichten kennisgevingen, werd een minimumdrempel voorzien. Daaronder geldt de nieuwe informatieplicht en de eruit voortvloeiende gevolgen niet. Die drempel die bekeken moet worden vanuit de houder of schuldenaar van de betrokken waarden, wordt bepaald op 10.000 EUR, behalve wanneer het gaat om een rente, pensioen of een andere periodieke uitkering; in dat geval is de toepassingsdrempel vastgesteld op 1.000 EUR op jaarbasis. Voor meer, zie de artikelen 172 tot 178 van het ontwerp van Programmawet.

 

8.2 Instellen van rechtsvorderingen

Onverminderd de bevoegdheden die hen door specifieke wettelijke bepalingen worden toegekend, zijn de ontvangers van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning of invordering van fiscale schuldvorderingen eveneens bevoegd om rechtsvorderingen in te stellen wegens de niet-betaling van de fiscale schuldvorderingen waarvan de inning of invordering hen is toevertrouwd, en staan zij in voor de inning en invordering van het door de rechter aan de overheid toegekende, met inbegrip van de interesten en de kosten bedoeld in de artikelen 1017 en 1018 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 169 van het ontwerp van Programmawet).

Tot vóór voormelde wetsbepaling was, ingevolge rechtspraak van het Hof van Cassatie, de bevoegdheid van de ontvanger der belastingen beperkt tot het innen van de belastingen en hun toebehoren, wat impliceerde dat de ontvanger niet over de vereiste hoedanigheid beschikte om bv. een vordering tot aansprakelijkheidstelling die een veroordeling tot betaling van een schadevergoeding ingevolge een fout van een bestuurder, een vereffenaar, een notaris enz. – op grond van artikel 1382 B.W. – in te stellen.

Er werd voor een algemene bepaling gekozen teneinde alle ontvangers van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning of invordering van fiscale schuldvorderingen, enerzijds toe te laten rechtsvorderingen in te stellen wegens de niet-betaling van de fiscale schuldvorderingen waarvan de inning of invordering hen is toevertrouwd, zoals de zijdelingse en de pauliaanse vordering, de vordering tot geveinsdverklaring en een aansprakelijkheidsvordering en anderzijds in te staan voor de inning en invordering van het door de rechter aan de overheid toegekende.

 

8.3 Dagvaarding in faillietverklaring

De dagvaarding in faillietverklaring van een schuldenaar van de Belgische Staat kan worden gedaan door elke ontvanger of elke andere ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën (artikel 170 van het ontwerp van Programmawet).

Voormelde maatregel werd genomen omdat het Hof van Cassatie heeft gesteld (Cass., 01.02.2002, C000727F) dat het faillissement geen invorderingsprocedure is, maar een gemeenschappelijke vereffeningsprocedure die opgezet is ten voordele van de gezamenlijke, door een curator vertegenwoordigde, schuldeisers en die een einde maakt aan de individuele aanspraken van de schuldeisers.

Teneinde te expliciteren dat zowel de ontvanger zelf als een medewerker van de ontvanger of een ambtenaar van de bijzondere belastinginspectie zo'n dagvaarding kan instellen, wordt bepaald dat de ontvanger of elke andere ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën een schuldenaar van de Belgische Staat kan dagvaarden in faillietverklaring.

 

8.4 Verschijning in persoon

In procedures waarin een ontvanger van de Federale Overheidsdienst Financiën optreedt, kan de verschijning in persoon namens de Belgische Staat worden gedaan door de betrokken ontvanger of elke andere ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën (artikel 171 van het ontwerp van Programmawet; cf. artikel 379 WIB 92 inzake taxatie). In de toelichting bij voormelde wet staat te lezen dat voor ingewikkelde gevallen waarin principiële kwesties of buitengewoon belangrijke zaken op het spel staan, beroep zal worden gedaan op gespecialiseerde advocaten in het kader van de bestrijding van de grote fiscale fraude en de financiële criminaliteit.

 

9. Varia

Verder omvat de Programmawet nog :

 

 

DEEL 1 - EIND DECEMBER 2011

 

VOOR PARTICULIEREN

 

 

1. Fiscale uitgaven voor energiebesparende uitgaven.

 

   Alles wordt afgeschaft met uitzondering van de dakisolatie.  Overgangsmaatregel : voor 28.11.2011 besteld, aftrekbaar in 2012

 

 

2. Aftrekbare uitgaven tot belastingvermindering : wijziging naar 2 unieke percentages

 

    45% voor de enige woning, kinderopvang en giften

    30% voor de overige uitgaven

 

 

VENNOOTSCHAPSBELASTING

 

1. Roerende inkomsten

 

   De roerende voorheffing op intresten én dividenden wordt verhoogd van 15 procent naar 21 procent, behalve voor Staatsbon met       

   intekenperiode 24.11.2011-02.12.2011 (nog 15 procent).  

 

   Regel : wat 25% was blijft 25%

 

   Uitzonderingen : spaarboekjes (blijft 15%), liquidatieboni (blijft 10%).

    

 

2. Bijdrage op hoge vermogensinkomsten van natuurlijke personen

 

    Iedereen die meer dan 20.000 euro roerende inkomsten ontvangt per jaar, wordt onderworpen aan een extra belasting van 4 procent op het

    gedeelte boven de 20.000 euro

 

    Optioneel systeem bij de financiële instelling :

 

    a. Niet bij de bron maar inkohiering via de personenbelasting.  Op 20/12 moet de keuze worden bevestigd.  Alle gegevens worden

         doorgegeven naar het centraal punt (NBB).

 

    b. Bronheffing van 25% en surplus eventueel terug te vorderen via de personenbelasting

 

 

3. Stock options : 15% wordt 18%

 

 

4. Meerwaarden in de VenB :

 

  - Meerwaardebelasting 25 procent voor bedrijven die aandelen verkopen. Die geldt alleen voor ondernemingen en holdings die

    hun aandelen binnen het jaar verkopen

 

   - Het voorstel om het DBI-regime strenger te maken is geschrapt

 

   - Notionele intrestaftrek: voortaan mag slechts 3 procent van het eigen vermogen nog afgetrokken worden van de belastbare winst. Voor

     KMO's is dat 3,5 procent. Ook de overdraagbaarheid van de aftrek wordt afgeschaft. De aftrek die de voorbije jaren werd opgespaard ('de

     stock') mag per jaar slechts gedeeltelijk worden gebruikt

 

 

5. Verzekeringen

 

   Interne pensioentoezegging (IPT) moet worden geëxternaliseerd.  De taks van 4,4% voor nieuwe stortingen wordt voor bestaande IPT’s die

    binnen de 3 jaar worden overgedragen wordt herleid tot 1,75%.  Niet externaliseren betekent belastingbaarheid van de voorziening.

 

 

6. Voordelen alle aard auto’s !  De grootste wijziging !!!  Reken makkelijkheidshalve met x3 tov vroeger !!

 

   A. Berekening VAA = cataloguswaarde x CO2-coëfficient x 6/7     

 

        - cataloguswaarde = gefaktureerde waarde inclusief btw en opties zonder rekening te houden met kortingen en ristorno’s

        - CO2-coëfficient : 5,5.  De grens wordt bepaald op 95 g/km voor een diesel en 115 g/km voor een benzine.

        - CO2-coëfficient +0,1% per gram, met een maximum van 18%

        - minimaal VAA : 1.200 euro per jaar

        - maximaal VAA : 18% van het faktuurbedrag... Per jaar !

 

         Concreet : een Audi / BMW / Mercedes / ... van 50.000 euro btw incl en een co2 uitstoot van 180 g/km kost u 6000 euro per jaar aan

          voordeel aan te geven in de personenbelasting (aan 50% is dat 3000 euro extra belasting + gemeentetaks en sociale bijdragen !!) en

          bijkomend 350 euro venB...

          Tot 31.12.2011 was dat vrij beperkt : 2000 euro per jaar VAA...

 

 

    B. Bijkomend : 17% van het VAA op te nemen in de verworpen uitgaven.

 

 

7. VAA woning : de multiplicator wordt 3,8 in plaats van 2.

 

   De formule wordt dan : Geïndexeerd KI x 100/60 x 3,8.  Voor een woning met een KI van 1750 wordt het jaarlijks te indexeren voordeel

     18.472,22 ipv 9.722,22 wat het einde van de villavennootschappen betekent...

 

 

8. VAA verwarming en elektriciteit wordt resp. 1820 en 910 euro op jaarbasis

 

 

DIVERSEN

 

  - Men neemt maatregelen om de fiscale en sociale fraude harder aan te pakken

 

   - De accijnzen op tabak en alcohol stijgen

 

   - Verhoging taks op de beursverrichtingen en BTW op betaaltelevisie van 12 tot 21 procent

 

  - De dienstencheques worden pas duurder vanaf 2013 (plus 1 euro). En de fiscale aftrekbaarheid blijft behouden

 

   - Notarissen en gerechtsdeurwaarders moeten btw betalen

   

- De beurstaks wordt met 30 procent verhoogd

 

 

OMZETTING AANDELEN AAN TOONDER NAAR AANDELEN OP NAAM !

 

Invoering van een belasting op de omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten

(1% voor omzettingen in 2012, 2% voor omzettingen in 2013 en 3% voor omzettingen van rechtswege op het einde van de omzettingsperiode einde 2013)

 

 

 

 

top